Wat wel, wat niet?

De tweede vrijdag van januari verhuisde Louis naar een woonzorgcentrum in onze buurt. We kozen voor een ruime kamer op de derde verdieping, met zicht op een wandelpark met kronkelende paden, geriefelijke zitbanken en de vijver te midden van de glooiende terreinen van de plaatselijke golfclub. Het toverde meteen een glimlach op mijn gezicht. Louis murmelde iets onverstaanbaars.

Ondanks zijn gebrom en gefoeter, vond hij zijn draai in zijn nieuwe woonst. Ontbijt op de kamer, lunch en diner in het gezamenlijk restaurant. Hij sleet zijn dagen met televisiekijken (lang leve de sportuitzendingen, de Repair Shop, de eindeloze herhalingen van Witse en de Kampioenen). Af en toe dronk hij een pintje in de cafetaria op het gelijkvloers, praatte met enkele medebewoners. Over vroeger, bij gebrek aan een heden en een toekomst.

In het huis aan de Brugse molens groeide de chaos. Het dressoir, de vitrine- en keukenkasten waren ondertussen leeggehaald. Zonder succes. Het zondagse eetservies, de cake- en taartschalen, het zilveren bestek en de enkele glazen die Louis’ gesukkel hadden overleefd, vonden hun weg op de tafels in de woonkamer. Tupperware en Creuset op de keukentafel. Tot overmaat van ramp bracht mijn man alle lakens, kussens, dekens en karpetjes naar beneden. Al mijn knipperlichten sprongen aan, onze eerste ruzie was een feit. Dat hij zijn plan kon trekken, dat ik betere dingen te doen had dan iedere avond én weekend rommel op te kuisen. Scherpe woorden die ik niet meende en waar ik al vlug spijt van had. Uiteindelijk vonden we een oplossing: alles met de minste barst of kras zouden we onmiddellijk weggooien, al de rest zouden we voorlopig in de achterste kamer plaatsen. Hoera, we hadden een nieuw plan en deze keer zouden we er niet meer van afwijken. Dachten we.

Enkele uren later zette mijn man een karton bij de hoop ‘weg’. Hij glunderde. ‘De eerste zolderkamer is bijna leeg.’ Hij nam een biertje uit de koelkast en trok opnieuw naar boven. Ik droogde mijn handen af, opende nieuwsgierig de doos. Een stuk of zes kruisbeelden lagen op een hoopje opeen. Zes Christusfiguren, in metaal, hout, koper of albast, de ene al meer lijdend dan de andere. Vastberaden bracht ik ze naar de achterste kamer. Een kruisbeeld weggooien, no way. Dat bracht alleen maar ongeluk! Toch?

Die avond stapten we Louis’ kamer binnen. ‘En went het een beetje?’ vroeg ik.
‘Ik heb geen andere keuze,’ was zijn korte antwoord.
‘We zullen je kamer een beetje aankleden,’ stelde ik voor. ‘Morgen brengen we het notelaren kastje, de barometer, het schilderij van de Brugse Reien en één van je pendules mee,’ beloofde ik.
Hij knikte. ‘Weet je wat er hier écht mankeert,’ zei hij. ‘Een kruisbeeld.’ Ik gaf hem groot gelijk.

De dag erna stonden we opnieuw naast de uitpuilende tafel in Louis’ voormalige woonkamer. ‘Ik weet het allemaal niet meer,’ zei mijn man. ‘Wat mag weg, wat niet?’
‘Het is nochtans eenvoudig,’ antwoordde ik. ‘We moeten het bekijken door de ogen van Louis. Wat zou hij willen bewaren, waarvan neemt hij met graagte afscheid van.’ Ik trok mijn schouders op. ‘Simple comme bonjour.’

Opnieuw een fout van jewelste. Want doen alsof je weet wat iemand anders denkt en voelt, is als wandelen over water, als dansen op een slappe koord. Dat is onmogelijk. Een les die Louis ons enkele weken later zou leren.