Een helikopter

‘Mag ik?’ Mijn kleinzoon wees naar een parcours in het park. Vol enthousiasme rende hij op het speeltuig af, klom op een smalle balk, bengelde aan een touw. Mijn ogen volgden elke beweging. Wat als hij viel? Wat als hij zich bezeerde?

Angst, sinds jaren een stoorzender in mijn hoofd. Als een helikopter cirkel ik hoog in de lucht, op zoek naar gevaar, naar iets wat mis zou kunnen gaan. Zo ook die morgen, enkele weken geleden.

Vroeg in de ochtend duwde men mij de operatiezaal binnen. Draden werden op mijn lichaam gekleefd, een fel licht zweefde boven mijn hoofd.
‘Een kleine prik mevrouw.’ De anesthesist keek me geruststellend aan.
‘Voelt uw arm zwaar en dof?’ vroeg de chirurg even later.
Ik knikte.
‘Nog even en u zult hem niet meer kunnen bewegen.’
‘Ik kan het nog steeds,’ zei ik nog geen minuut later.
‘Geduld.’ De chirurg plooide voorzichtig mijn arm.
‘Ik voel wat u doet,’ pruttelde ik tegen.
‘Rustig,’ zei de assistent met zachte stem. ‘We zullen u echt geen pijn doen mevrouw.’
‘Ik hoop het.’ Mijn helikopter steeg op. Zijn gebrom waarschuwde mij: dit kwam niet goed. Had ik genoeg verdoving gekregen? Wat als ik pijn voelde?
Ik draaide mijn hoofd, zocht de blik van de chirurg. ‘Dokter, ik denk dat u …’ Verder kwam ik niet. Het licht doofde.
Ik werd wakker in de recoveryzaal. Alles was voorbij.

Opnieuw had de helikopter mijn brein overgenomen, én opnieuw had ik eraan toegegeven. Nog voor de eerste snee werd gezet.