Na de telefoon volgden nog verschillende mails vanuit de kantoren van de Red Star Line in Antwerpen. De afspraak werd gemaakt, een datum geprikt.
En toen was ze daar, die lichte zenuwachtigheid. Wilde mijn vader dat het verhaal naar buiten kwam? Had hij iets te vertellen dat ertoe deed? Had hij meerdere foto’s dan die ene omslag die hij al die jaren zo minutieus bewaarde? Dezelfde omslag die ik een jaar of twee later ergens verkeerd zou leggen, waarvoor ik mijn huis binnenstebuiten draaide 😉.
Mijn vader en ik trokken naar het Heemkundig Museum, mijn moeder naar de vistrap. Wij mochten dan wel alle bijkomende info opzoeken en het bezoek voorbereiden, zij zou zorgen voor de ontvangst van Lien. Vers gepelde garnalen met frietjes. Oostende op een bord.
‘Mag ik het gesprek opnemen?’ vroeg Lien. Mijn vader knikte.
Hij vertelde zoals hij altijd had verteld. Vlotjes, met af en toe een vloek. Simpele woorden. Zonder opsmuk. Zonder drama.
Hij herhaalde het verhaal dat hij al mijn hele leven herhaalt. Ik luisterde. En toch klonk het anders.
Niet omdat hij iets nieuws zei, maar omdat er iemand meeluisterde.
Iemand die haar recorder in de gaten hield, iemand die de juiste vragen stelde.
Iemand die mijn vaders woorden bewaarde.
Het gesprek liep op zijn einde. Lien beloofde om contact te houden. ‘Jullie hebben me vertroeteld,’ zei ze gemeend, ‘de verse garnalen, het warme welkom.’ Vanaf nu zou ze Oostende linken aan mijn ouders. Ik groeide een halve meter.
We liepen mee tot aan de deur en namen afscheid. Niet met een tot ziens of bedankt, tot in Antwerpen. Nee, met een zin van mijn vader die ik nooit zal vergeten.
We kenden hun taal niet.
We kenden hun land niet.
We kenden hun leven niet.
Wij waren vluchtelingen, net als zij, die te voet naar hier komen.
Er viel even een stilte.
Daar moet ik steeds aan denken als ik die beelden op televisie zie.
