Ondertussen schreef ik een verhaal voor de nieuwe bundel van het Gentse Schrijverscollectief. Niet het verhaal van mijn vader, maar dat van Louis – een knorrige boekhouder uit Gent, eind jaren zestig. Zijn fictieve leven bracht me naar de gewezen ACEC fabriek aan de Sint-Salvatorstraat, langs het nieuwe Dok Noord en de Sleepstraat.
Ik groef in de tijd. 1969.
De eerste man op de maan. De begrafenis van Jan Palach in Praag. Studenten die Parijs bezetten. Hippies die neerstreken in Amsterdam.
Dichter bij huis was de wereld strakker omlijnd: de man die het geld van de vrouw grotendeels beheerde, de vrouw die het huishouden bestierde.
Het bleef knagen. Ik leerde over de jaren zestig, maar wat met de jaren veertig? De heropbouw van de verwoeste steden, de visserijcrisis, de angst voor het communisme. ‘Begin aan je verhaal,’ zei mijn man, ‘niet dromen maar doen.’
En zo belandden we op een zonnige namiddag in het Visserijmuseum te Breskens. In de nagemaakte stuurhut raakte ik in gesprek met Jaap. Ik vertelde hem over de zeereis van Oostende naar Zuid-Amerika. Hij had erover gehoord, over de Vlaamse vissers die naar Zuid-Amerika getrokken. En, meende hij zich te herinneren, ook enkele Zeeuwse families.
‘Ikzelf heb mijn schip naar Afrika gebracht,’ zei hij.
‘Echt?’ Mijn nieuwsgierigheid nam met de minuut toe.
‘En hoe ging dat in zijn werk?’ Vraag wat je wil weten … Vraag hoe je zo’n reis plant… Vraag wat de vrouwen aan boord konden hebben gedaan. Het knipperlicht in mijn hoofd viel niet meer stil.
Ze hadden een plan. Heel zeker! Meerdere vaarschema’s. Waar ze zouden tanken, waar ze zouden bunkeren. ‘En,’ zei hij, ‘ze voeren traag.’
‘Traag?’ Ik keek hem verwonderd aan. ‘Je zou net denken dat ze zo vlug mogelijk ter plaatse wilden zijn?’
‘Nee meissie.’ Jaap schoot in een lach. ‘Brandstof. Het draait allemaal om brandstof.’
‘Hoezo?’
‘Kijk. Als schipper wist ik waar ik kon tanken. Veilig, bij iemand die je volledig vertrouwde. Geen haar op mijn hoofd dat het zou riskeren om diesel te kopen bij iemand die ik van toeten noch blazen kende! Néé, dat deden we niet.’
Ik knikte.
‘Dus voeren ze traag. Om zo weinig mogelijk brandstof te verbruiken. Omdat ze niet in panne wilden vallen, ergens midden in de oceaan. Of omdat de tank leeg was, of omdat ze smerige diesel hadden gekocht bij een of andere charlatan.’
Jaap glimlachte. ‘Tegenwoordig vertrek je met een GPS, een satelliettelefoon. Alles binnen handbereik. Je weet precies waar je bent, wat je doet. Maar eind jaren veertig … die vissers?’
Hij wreef even over mijn schouder.
‘Die vertrokken met niets. Alleen de sterren als kompas. En moed. Heel veel moed. Je mag trots zijn op je grootvader.’
Thuis schreef ik zijn woorden op in een schrift. Een schrift dat uitgroeide tot een bundel. Een bundel waarin de verwondering telkens opnieuw zal toeslaan.
