Tijdens het schrijven van het verhaal liet ik me vaak leiden door de flow en de sfeer van de jaren veertig, maar een klein detail zou me een belangrijke les leren.
Op een druilerige zondag bezochten mijn man en ik het Volkskundemuseum in Brugge. Een plek waar je de sfeer van toen bijna letterlijk inademt: de pijnlijke pets van de meetlat op kindervingers in het klaslokaal, de scherpe geur bij de apotheker, het neerdwarrelende stof van oude boeken in de beste kamer.
We wandelden langs het atelier van de kleermaker. Mijn hart maakte een sprongetje: een oude Singer, een vingerhoed, een lintmeter.
‘Daar begint mijn verhaal.’ Ik wees de naaimachine aan. ‘Mijn hoofdpersonage is naarstig aan het werk. Op de schouw slaat de Westminster vier slagen. Ze loopt naar de keuken, zet thee. Even later slaat ze een blik op de plastic, vergeelde keukenklok en …’
Mijn man keek me met grote ogen aan. ‘Een plastic, vergeelde keukenklok? In 1949?’
‘En dan?’ vroeg ik.
De uurwerkmaker in mijn man kwam naar boven. ‘Die bestonden nog niet. En als ze al bestonden, dan waren ze zeker niet te zien bij de gewone man in de keuken.’
‘Nee?’
‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Van zodra we thuis zijn, bewijs ik het je.’
Zo gezegd, zo gedaan. Met een cataloog vol foto’s, tekeningen en schetsen kwam hij de keuken binnen. Ik keek over zijn schouder en zag de afbeeldingen van klokken zoals ze toen waren: stevig, van geglazuurd aardewerk, met metalen wijzers, soms met een nep-beukenhouten boord. Geen plastic, geen felle kleuren, geen lichtgewicht.
Daar stond ik dan met de plastic, vergeelde keukenklok in mijn verhaal. Ik opende mijn laptop, schrapte de scène. Vanaf dan werd checken en dubbel checken een vaste regel in mijn schrijfproces.
Research, uitleg vragen, luisteren én lezen. Heel veel lezen. Zo worden herinneringen verhalen die we zorgvuldig bewaren en met respect doorgeven aan de volgende generaties.
