Het verhaal dat mijn vader vertelde – tussen waarheid en verbeelding

Stel je voor: een maand lang vastzitten met je collega’s in de refter. Geen deur die open kan. Geen uitweg. Geen eigen plek. Enkel lichamen, geklaag en gezucht.

Zo begon de overtocht naar Chili. Tweeëntwintig mensen aan boord van een vissersboot die al kreunde onder een tienkoppige bemanning. Mannen. Vrouwen. Kinderen. Ze sliepen in kooien die leken op doodskisten. De lucht was zwaar van diesel en nat touw. Het hout kraakte angstwekkend. De boot klom en viel. Elke golfslag trok aan hun maag. De kinderen zeurden en krijsten. En altijd was er iemand tegen je aan. Een ellenboog, een knie, een adem in je nek.

Voer voor conflicten. En dat had het verhaal nodig. Want schrijven over een zeezieke vrouw, hoe realistisch ook, houdt een roman niet recht.

De archieven vermelden geen dramatische incidenten. Geen noodsignaal. Geen onverwachte tussenstop dichtbij huis. Maar een roman vraagt meer dan een verslag. Het vraagt een moment waarop angst niet langer onderhuids blijft. Dus liet ík de radio zwijgen.

Mijn verzonnen panne bracht de boot naar Le Havre. Naar de heropgebouwde havenstad aan de rand van het Kanaal. En ook mij en mijn man.

Want zo is schrijven. Je begint achter je bureau, snuistert in archieven, getuigenissen, vergeelde foto’s. Maar voor je het weet sta je zelf op een kade en kijk je naar het grijze water. Je probeert je voor te stellen hoe een overvolle vissersboot daar zou hebben aangelegd. Hoe opgelucht de vrouwen zouden zijn geweest. Of misschien net niet.

Fictie is geen leugen, maar een richting. Je verzint een panne om je personages vooruit te helpen én voor je het weet brengt die jou zelf naar een plek waar je misschien nooit zou zijn gekomen.

En dan denk ik …

Wie weet schrijf ik me ooit tot in Chili …