Het leven is als de golven van de zee. Soms kabbelend en rustig, dan weer onstuimig en onheilspellend. In een loopbaan is het net hetzelfde, ook bij mij.
Na vier rustige jaren belandde ik plots in onstuimig water. Een meningsverschil over mijn recht op zwangerschapsverlof deed mij uitkijken naar een andere job. En zo kwam ik terecht op een administratieve dienst van de Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering te Oostende.
Een droom van een job. Echt waar.
Er heerste structuur. Een telefoniste verbond de juiste diensten met elkaar. De inkomende post werd gesorteerd en belandde netjes op je bureel, de uitgaande post werd op het eind van de namiddag opgehaald. Koffie werd rondgebracht – melk, suiker en een koekje inbegrepen. Op het eind van de gang een kopieerruimte, een plek die na het weekend gretig bezocht werd 😉
Ik belandde op het kantoor van Rita en Bea, twee topmadammen. De sfeer zat goed, we lachten wat af. In ons bureel (een enorme ruimte voor drie mensen), in de refter (de dagen dat er mosselen op het menu stonden, vergeet ik nooit), of tijdens het boodschappen doen. Naar Delhaize? Tuurlijk. Kom, we gaan …
Op een dag vroeg ons afdelingshoofd of ik het zag zitten om de hoofdboekhouder, Luc, bij te staan tijdens drukke momenten. Ik twijfelde geen seconde en stapte ’s morgens mee in de wagen, op weg naar het hoofdkantoor in Erembodegem.
Mijn eerste taak was het controleren en salderen van de grootboekrekening ‘Geldbewegingen’. Bedragen die overeenstemden, konden tegen elkaar worden afgepunt.
Ik deed wat mij gevraagd werd. Als er aan linkerzijde van de fiche bijvoorbeeld 10.000 frank stond, dan schrapte ik die tegen 10.000 frank aan de rechterzijde. Het saldo kwam op nul. Simple comme bonjour.
Dacht ik. Want zo had ik het geleerd op de schoolbanken. Niets was minder waar.
Luc trok een bedenkelijk gezicht. ‘Serieus?’ gromde hij. Vanaf die dag leerde hij mij alle kneepjes van het vak. Hij kneedde mijn brein, deed me denken in kolommen en tabellen, in balans- en resultaatrekeningen.
‘Boekhouding is als het pellen van een ajuin,’ zei hij. ‘Laag per laag ontleed je het probleem en zo kom je tot de kern.’ Woorden die ik gretig van hem overnam.
Het werd een gewoonte. Enkele dagen in de week bleef ik in Oostende, andere dagen trok ik naar het binnenland.
Zo ook de dag van de nieuwjaarsreceptie eind januari 1990. ‘ s Morgens werkte ik op het kantoor in Erembodegem, na de middag zou ik naar de receptie in Aalst rijden.
Maar dat was buiten Luc gerekend.
‘Je kunt toch met mij meerijden?’ zei hij toen ik naar mijn wagen liep. ‘Ik ken de weg. Laat je auto hier achter, ik breng je vanavond terug. Dan moet je geen parkeerplaats zoeken.’ Hij overtuigde me, ik stapte in zijn wagen.
Het waaide verschrikkelijk die dag. Op de radio werd afgeroepen dat verschillende parken waren afgesloten.
Luc lachte de waarschuwing weg, reed een bosweg in. ‘Veel korter!’
Zijn woorden waren nog niet koud of een windplaag deed takken zwiepen. Gekraak, gebulder. Een doffe slag. Een stuk boom belandde op zijn kofferdeksel.
Natuurlijk kwamen we veel te laat aan op de receptie … natuurlijk werden er wenkbrauwen gefronst … natuurlijk kon ik geen antwoord geven op de vraag: wat deden jullie in godsnaam in het bos?
Maar wat ik wel wist? Dat ik nooit – maar dan ook nooit – nog in een bos zou wandelen, fietsen of autorijden tijdens een hevige storm 😉
