Voorjaar 1990. Een gerucht gonsde door de gangen, zaaide twijfel en angst. Het kroop langs muren, door burelen, van mond tot mond.
Aquafin.
Ze zouden overnemen, zei men. De Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering opslokken, hertekenen, herschikken.
Aquafin rook naar onzekerheid. Naar een toekomst die plots niet meer vanzelfsprekend was. Niemand wist wie zou mogen blijven, maar iedereen was ervan overtuigd: de contractuelen moesten vertrekken.
De twijfel in mijn hoofd werd een dikke brij. Hoe moest het verder? Ik, moeder van Stefanie, zwanger van Frederik. Dus zocht ik een nieuwe job.
En die vond ik. In Nieuwpoort. Op een kleine werf waar men aan boten werkte.
De locatie was prachtig. Het voorste raam van mijn bureel keek uit op de jachthaven, vanuit het andere zag ik de loods vol zeilboten, motorboten en kotters.
Scheepsrompen werden verlost van algen en mosselen, kregen een nieuwe laag antifouling en wachtten. Op het nieuwe vaarseizoen. Ik wachtte mee.
Wat een droomjob leek, had een kantje. Er was geen werk.
De redding stapte letterlijk mijn bureel binnen. Na een cijfervergadering kwam de zaakvoerder van het accountancykantoor naar me toe, en vroeg me of ik geen zin had om bij hem te komen werken.
Ik kreeg de ene kans na de andere. Van bijscholing Excel tot een heuse opleiding aan de Fiscale Hogeschool EHSAL in Brussel.
We werkten van deadline naar deadline. Btw-aangiftes, jaarrekeningen, algemene vergaderingen en belastingaangiften. Jaar na jaar.
We waren een topteam. Dachten we.
Tot op de avond dat we werden uitgenodigd in een sterrenrestaurant. Met partners.
Laat de champagnekurken maar knallen, want er was nieuws … nieuws dat insloeg als een bom.
