Van het ene moment op het andere.

‘Wie belt er nu zo vroeg?’ Mijn man stak me mijn gsm toe. Ik herkende Louis’ nummer. ‘Hallo. Louis?’ Zacht gekreun aan de andere kant van de lijn. ‘Rustig, we komen eraan.’

We vonden Louis ineengezakt op de grond. Zuchtend probeerde hij recht te komen, vervloekte de pijn en zeeg voor de zoveelste keer als een pudding neer. Voorzichtig hielpen we hem op een stoel. Mijn man belde de huisarts. Ja, het was dringend en neen, de patiënt kon niet op eigen kracht naar de praktijk komen.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik.
Verward keek Louis me aan. ‘Ik weet het niet. Van het ene op het andere moment lag ik op de grond.’
Ik schudde mijn hoofd, wees naar de opkrullende hoek van het versleten karpet. Ik heb je verwittigd, wou ik zeggen, maar ik zweeg. Verwijten en gezeur zouden zijn pijn niet wegnemen.

Louis kon niet langer alleen in zijn woning blijven, oordeelde de dokter een klein uurtje later.
‘Hoe bedoel je?’ Louis keek me ontredderd aan.
‘Ik heb het al meerdere keren gezegd, je hebt hulp nodig,’ antwoordde de dokter.
Louis wees in onze richting. ‘Zij helpen mij.’
Ik slikte de zure smaak van onmacht weg. ‘Het is voor je eigen welzijn,’ zei ik.
Louis zuchtte.
‘Je hebt mensen nodig die dag en nacht voor je zorgen,’ suste ik mijn eigen geweten.
Louis trok zijn schouders op.
‘Op je drieënnegentigste is het geen schande om naar een rusthuis te verhuizen.’
‘Als jij het zegt.’ Een grimas trok over zijn gezicht.
De dokter stak zijn telefoon weg. ‘Een ziekenwagen is al onderweg.’

Onbehagen hing als een laag dikke mist in de woonkamer. Gelaten keek Louis rond. Van het dressoir met postuurtjes naar een stilleven aan de muur. Van de vitrinekast met sierborden naar de foto’s op de lage kast. Van de Chesterfieldbank naar de staande klok in de hoek. Hij glimlachte naar een zwart-wit portret aan de muur. ‘Mijn moedertje,’ verbrak hij de stilte.
‘Mooie madame,’ antwoordde ik.
‘Ik ben hier geboren,’ vervolgde hij na een poosje.
Ik knikte. ‘Ik weet het.’ Ik kende het verhaal van zijn veel te vroeg gestorven moeder, van zijn vader die meevocht aan de IJzer, verhalen over de tweede wereldoorlog en die onbeschofte Duitsers, over zijn Marie. ‘Wil je nog een keertje naar boven? Wil je de tuin nog eens zien?’ vroeg ik ongemakkelijk.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, laat maar.’ Hij schuifelde ongemakkelijk heen en weer op zijn stoel. ‘Weet je,’ zei hij, ‘ik was nergens zo gelukkig als achter mijn werkbank in mijn winkel. Tussen de klokken, wekkers en uurwerken.’ Zijn ogen lichtten even op.

Het zwaailicht van de ziekenwagen kleurde het vensterraam blauw. Moeizaam kwam Louis overeind, zocht steun bij de ambulancier. Hij kneep zachtjes mijn hand. ‘Tijd om te gaan.’ Zonder omkijken slofte hij voorgoed zijn woning uit. Zomaar, zonder aankondiging, zonder verwittiging. Zomaar, van het ene moment op het andere.