‘Schrijven we ons in?’ De eerste collega die deze legendarische woorden gebruikte, was mijn chère collègue, zoals ik Nathalie graag noemde.
Acht uur per dag aan een bureau, gebogen over een klavier. Mijn collega en ik wisten allebei: dit is niet gezond. We besloten dat het anders moest. Nog geen week later hadden we een abonnement op een fitnessclub. Elke middag haastten we ons naar daar. Even het hoofd leegmaken, onze grenzen testen.
Zomer 2009. Mariakerke, de jaarlijkse braderie.
‘Schrijven we ons in?’ vroeg Nathalie.
Ik voelde meteen koudwatervrees. Verder dan de loopband waren we nog niet gekomen. Buiten lopen? Een wedstrijd? Het voelde meteen een stuk minder comfortabel. En toch – tegen beter weten in – schreven we ons in.
We trokken elke middag naar buiten. Stap voor stap, volgens het schema van Evy. In ons hoofd maakten we gigantische sprongen vooruit. We waren goed bezig. Echt goed.
Vrijdagavond. Het startschot klonk. Vrouwen en mannen schoten ons voorbij.
Aangemoedigd door – zo leek het toch – de helft van Mariakerke langs de kant, liepen wij verder. Op ons eigen tempo. Traag. Tergend traag.
De bezemwagen volgde ons stapvoets. Achter ons ruimden politie en vrijwilligers systematisch de dranghekkens op. Een tiener, die voor wat ambiance moest zorgen, kondigde onze passage aan met een laatste, harde tromslag.
We haalden de meet. Als allerlaatste. Maar trots. Oprecht trots. Nog geen maand nadat we begonnen waren met lopen, zaten onze eerste vijf wedstrijdkilometers in de benen.
‘Schrijven we ons in?’ Een onschuldige vraag. Maar het zaadje werd bij mij geplant.
Urban trails. Koersen voor Think Pink. De Mont Ventoux. Nieuwe doelen, telkens een beetje verder, een beetje hoger.
Jaren later kwam ik bij nieuwe collega’s terecht. En ook zij stelden me op een dag die ene vraag: ‘Wat denk je Chantal? Schrijven we ons in?’
Een nieuwe uitdaging. Iets waarvan ik ooit zei: dat is niets voor mij.
En toch … zei ik ja. De Ten Miles wachtte.
