Ik was een koppige student. Ik zette me alleen in voor de vakken die ik graag deed: boekhouding, fiscaliteit en Nederlands. De andere, waaronder Frans, liet ik zoveel mogelijk links liggen.
Mijn vader werd er horendol van. Talen waren belangrijk, ik zou er nog spijt van krijgen.
Hij kreeg gelijk. Mijn eerste job – die met de meterslange fichebak en de telex – was volledig Franstalig. De twee zaakvoerders, geboren en getogen in Oostende, spraken onder elkaar Frans.
Quel dommage que ton français soit si maladroit, Chantal. Fais quelque chose, je t’en supplie !
Met veel hulp van Jenny – de vriendelijke vrouw die naast mijn werk woonde en dagelijks wel tien keer binnenliep – werd mijn Frans gaandeweg beter.
Gelukkig maar. Want een tiental jaren later zat ik plots aan een onderhandelingstafel met de rayonverantwoordelijken van Cora. Eén van de grootste warenhuizen in Franstalig België.
Ik was als eerste binnen en werd naar de vergaderruimte gebracht. Een grote tafel, een flip-over, veel stoelen. Mannen strak in pak sijpelden één voor één binnen. Ze deden alsof ik er niet was. Geen knikje. Geen bonjour.
De vergadering begon een kwartier te laat. De mannen praatten snel. Te snel. Ze strooiden moeilijke woorden in het rond. Ik voelde de paniek opkomen. Had ik het goed begrepen?
Moesten we betalen om te verkopen? Voor de publiciteitsfolder. Voor een strategische plaats in de frigo. Voor allerlei werkingsmiddelen.
Mijn handen trilden. De mannen smaalden, keken me aan met een licht treiterende blik. La pauvre.
En plots borrelden de woorden op. In mijn hoofd keerde ik terug naar de tijd met Jenny. Ik vond mijn beste Frans. Even viel het stil. Daarna begon het gesprek te kantelen en voor ik het goed en wel besefte, was het contract een feit.
De afgelopen tweeënveertig jaar namen me mee naar werelden die ik nooit had kunnen bedenken: motorjachten en zeilboten, vis en warenhuizen, decoratie en bouwregels.
En de moeilijkste moest nog komen: de automobielsector. Zover was ik toen nog niet…
