Dijon – Piemonte. De GPS gaf ons twee mogelijkheden: de autostrade of een meer toeristische route langs gezellige dorpjes en mooie vergezichten. We hadden geen keuze. Eerst en vooral omdat we zo snel mogelijk in ons vakantiehuis wilden zijn, maar ook omdat we de beelden op het Franse journaal niet hadden gemist: gesloten bergpassen wegens ijzel, toeristen op vakantieslippers in de sneeuw.
We lieten Dijon achter ons. De wijngaarden van de Côte-d’Or gleden aan ons voorbij, de besneeuwde bergtoppen van de Savoie leken de hemel te raken. Bij Modane reden we de Fréjustunnel in. Achter ons lag Frankrijk, met mooie herinneringen aan Épernay, Troyes en Dijon; voor ons lag de verwachting van wat komen zou.
Enkele uren later namen we de afrit richting Castagnito. De hemel brak open, een pittig onweer barstte los. Piemonte, een groene regio in het noorden van Italië. Groen betekent regen, maar toch bad ik tot alle weergoden dat deze plensbui van korte duur mocht zijn.
We hadden geluk. Nog voor we het dorp bereikten, hield het op met regenen. Onder een stralende zon reden we even later de straat van ons verblijf in. Dankzij de gedetailleerde info van Sara vonden we in alle rust en zonder moeite het huis.
En toch: men had ons zien komen. Enkele luiken sloegen open, inwoners keken nieuwsgierig door het raam, en kwamen nog geen minuut later samen op straat. Er was duidelijk een probleem.
De privéparking naast het huis leek bezet. Twee tractoren namen alle plaats in. De vrouwen bestudeerden de zaak, hun armen zwaaiden als molenwieken in de lucht, hun vingers maakten de gekende Italiaanse gebaren.
‘Het is iedere dag hetzelfde liedje,’ foeterde de oudste luid. ‘Privéparking. Denk je dat ze zich dit aantrekken? No!’ Ze kwam dichterbij, een tweede volgde in haar kielzog. ‘Hun generator is kapot.’ Ze wees naar een schuur naast de parking.
De conversatie duurde minstens tien minuten. Hun stemmen gingen op en neer, gevloek vloog in het rond.
Jan stond er wat beduusd bij. Ik genoot met volle teugen. Dit is het Italië zoals ik het mij herinnerde: Arte della commedia, gewoon op straat.
Het probleem werd opgelost. De oudste vrouw – Annamaria, zou ik later vernemen – zwaaide haar hek open en liet de twee tractoren toe op haar domein. Naar mij deed ze teken dat we konden parkeren.
‘Hier?’ vroeg ik en liet Jan parkeren naast enkele druivelaars.
‘Si, va bene. Ma domani devi parcheggiare lì.’ Ze wees naar de overkant van de kleine parking.
De toon was gezet. We hadden kennis gemaakt met Annamaria, het ‘hoofd van de straat’.
Eenmaal binnen namen we alle tijd om het huis te ontdekken. Het terras aan de slaapkamer keek uit op een wijnhelling, alsof je er middenin stond. Mijn hart sloeg een tel over, ik slikte een krop weg. Op dit moment, op deze plek, met dit uitzicht, had ik nooit durven dromen.
