We hadden ons goed voorbereid op deze reis. Ik had verschillende boeken gelezen, waaronder Italia Mia, met persoonlijke reisverslagen van journalist Herman Cole. Jan had drie – je leest het goed – Michelinkaarten gekocht. In een leuk schriftje had ik genoteerd wat ons belangrijk leek: markten en antiekmarkten, authentieke dorpjes, te bezoeken kloosters en de namen van de typische gerechten. We waren er klaar voor.
Op dinsdag is er markt in Alba. Dus vertrokken we naar het stadje zo’n acht kilometer verder. Het leek alsof heel Piemonte daar was. We vonden geen enkele parkeerplaats en reden minstens een kwartier door de omliggende straten. We gaven het op en namen de SR-weg naar Asti.
Alles aan Asti viel mee. In de pas gerestaureerde Romaanse kerk gaf een vriendelijke gids ons uitleg over de stad. We waren te laat voor het harpfestival dat dat weekend had plaatsgehad, maar veel te vroeg voor de jaarlijkse paardenrace die op 6 september zou plaatsvinden. ‘Zoals in Siena?’ vroeg ik. ’Ze knikte. ‘Palio di Asti. Maar wij zijn de oudste traditie.’ Haar ogen blonken.
We wandelden door middeleeuwse straten langs prachtig bewaarde gebouwen, vele torens in alle vormen – achthoekige, ronde, vierkante – en gezellige pleinen. We bezochten de overdekte markt, waar we de typische platte ravioli kochten.
Maar eerlijk? Natuurlijk gingen we niet alleen voor de mooie kerken en pleinen naar Asti. De stad ligt in het Monferrato-wijngebied en is vooral bekend om zijn bubbels en wijnen: Asti Spumante en Moscato d’Asti.
Dus kregen we dorst. Bij een glas bubbels klonken we op een mooie stad en een minstens even mooie dag. Filou had zijn eigen plek gevonden onder de tafel, rustig op een sjaal. Ook hij had zich intussen moeiteloos aangepast aan het Italiaanse ritme.
‘Waar rijden we morgen naartoe?’ vroeg Jan op een terrasje verder.
‘Naar de Giro d’Italia,’ antwoordde ik en nipte zonder te verpinken van mijn tweede Spumante.
