Met het nieuwe schooljaar komen ook de hitlijsten weer in het vizier. Er is altijd wel een zender die een Top 100 of Top 1000 uitzendt. Zo was er deze week de Top 500 van de jaren zeventig.
Een zaterdagavond in de jaren zeventig. Een hoogdag voor de fans van de Vlaamse zangers. Op de parking van een Thierbrau zochten vaders geduldig een plek. Tientallen lange sleeën stonden als sardienen in een blik, met chromen bumpers die om het hardst blonken. Aan de inkom probeerden moeders hun kroost bijeen te houden.
Op het podium vooraan in de zaal stond de microfoon klaar. Spots wierpen hun felle licht op het orkest. De bassist en de gitarist oefenden nog een laatste keer.
Mannen, vrouwen en kinderen schoven aan de lange tafels. Kinderen joelden boven hun limonade. Hier en daar nipte een vrouw verlegen aan een pintje. Sigarettenrook kringelde omhoog.
Dan weerklonken de eerste tonen. De zaal veerde recht. Onder een oorverdovend applaus schoof het zwarte gordijn open.
Iedereen zong moeiteloos mee. Stoelen werden aan de kant geschoven, een koppeltje danste, kinderen kropen op de tafels om de zanger beter te zien. Er werd geklapt en gelachen.
Een zaterdagavond ergens langs de Vlaamse velden in de jaren zeventig. Ik bewaar er de warmste herinneringen aan: de optredens van Will Tura of Marva, mijn familie, meezingen met ‘Rode rozen in de sneeuw’ of ‘Eenzaam zonder jou’.
Daar leerde ik hoe zalig het kan zijn om lekker luid mee te brullen. Of mee te janken met een schlager. Want geef toe: het verdriet van de persoon in het lied is altijd veel groter dan het jouwe. Niet?
Laat ze maar komen. De hitlijsten, de Top 100 of de Top 1000. Met heel veel plezier zal ik de liedjes meezingen. Luid (en vals). Zoals het achtjarige meisje dat ik toen was.
