Mantelzorgers. We kennen allemaal wel iemand die op zijn eigen manier zorg draagt voor een ander.
Iemand die de rolstoel van een geliefde voortduwt en behendig de putten ontwijkt die de providers lieten graven voor de aanleg van supersnel internet.
Een zoon die zijn bejaarde vader op een drukke zaterdagnamiddag een pint belooft en met de glimlach de rollator door het smalle gangpad naar een vrije plek achteraan in de kroeg manoeuvreert.
Een dochter die ’s avonds nog even binnenloopt bij haar ouders en bij het buitengaan stiekem en zonder veel woorden de vuile was meeneemt.
Een buur die iedere ochtend brood voor de appartementsdeur van zijn onderbuur legt.
De meesten zien we overal: op de wekelijkse markt, aan de schoolpoort, in het rusthuis, bij de kruidenier of bij de slager.
Sommigen zien we niet.
Die echtgenote die met engelengeduld haar hulpbehoevende man op het toilet helpt.
Die zoon die telkens opnieuw naar hetzelfde verhaal van zijn moeder luistert en haar niet vertelt dat haar eigen moeder al jaren niet meer leeft.
Die man die meerdere keren per nacht zijn vrouw opnieuw toedekt en haar doorligwonden zachtjes verzorgt.
Mantelzorg. Langdurige, onbetaalde hulp aan zieken of ouderen door familieleden of bekenden.
Onbetaald, dat wel. Maar vooral: onbetaalbare liefde voor iemand die je graag ziet.
Ik maak vandaag een diepe buiging voor alle mantelzorgers, zichtbaar én onzichtbaar.
