Piemonte, een aaneenschakeling van wijnlandschappen, glooiende heuvels en pittoreske dorpen. Vandaag zouden we zelf ontdekken of de reisgidsen gelijk hadden.
We startten de dag in Barbaresco. Een dorpje met welgeteld één straat, een uitzichtpunt op de Torre di Barbaresco, een coöperatieve en twee marktkraampjes. We kochten kaas en hazelnoten aan een jonge mevrouw, die – naar ze zelf beweerde – een tiental jaren geleden in Oostende woonde. ‘Kaas?’ vroeg ze in het Nederlands met Italiaans accent. Misschien had ze inderdaad in een zijstraat van onze zeedijk gewoond.
Na een cappuccino (het was nog geen middag, dus het mocht) reden we naar Barolo, dé stad van de beroemde wijn.
Dat was even schrikken. Net als Barbaresco bleek Barolo een heuveldorp. Deze keer met meerdere restaurants en wijnhandelaars. Zo’n dorp waar het uitzicht primeert. En wat voor een uitzicht!
We klommen en daalden door de straatjes die roken naar jasmijn en rozen en vergaapten ons aan de uitgebreide collecties bij de wijnhandelaars. We passeerden opnieuw twee inwoonsters die stonden te kletsen op hun stoeprand. ‘Barolo bezocht?’ vroegen ze enthousiast.
‘Eigenlijk zijn we op zoek naar een plek om iets te eten. Waar onze hond welkom is,’ antwoordde ik.
De vrouwen keken ons verontwaardigd aan. ‘Dit is Barolo. Hier is iedere hond welkom. Binnen en buiten‘ Ze raadden ons het terras van het Castello Falletti aan. Geweldig uitzicht en de lekkerste Vitello Tonnato. Ze kregen natuurlijk meer dan gelijk.
Als je Barolo bezoekt, dan moet je zeker passeren langs La Morra,’ had Sara ons de avond ervoor gezegd.
Op het Belvedere di La Morra, het hoogste punt van het stadje, werden we stil. Onder ons golfden de perfect aangelegde wijngaarden, in de verte torende dorpjes en kerktorens hoog boven het landschap uit. Smalle landwegen kronkelden van heuvel tot heuvel. ‘Ik wil hier nooit meer weg,’ zei ik tegen Jan.
Op de weg naar onze auto schoot het opeens door mijn hoofd. La Morra, met zijn Cappella del Barolo. Die moesten we nog zien. Geen kapel zoals de naam doet vermoeden, maar een schuilplaats voor de wijnarbeiders, zoals we er in de heuvels onder ons vakantiehuis ook hadden gezien.
Het bijzondere aan deze hut is dat twee kunstenaars ze hebben omgevormd tot een kleurrijk kunstwerk. https://it.wikipedia.org/wiki/Cappella_del_Barolo
Jan volgde de wegwijzer die ons naar de hut zou brengen en maakte een scherpe bocht. De geasfalteerde weg werd een kasseiweg. Honderd meter verder een grintweg om uiteindelijk in zand over te gaan.
‘Stop,’ riep ik nerveus. Nee, voor mij hoefde het niet meer. Op deze erbarmelijke weg wilde ik geen meter verder rijden. Wat als we lek reden? Te midden van die wijnranken?
Later die avond gaf Sara me gelijk. De gps had geen idee hoe het voelde om met een personenwagen door de smalle, zanderige wijnheuvels te rijden.
Oh ja, wat ik bijna vergat te vertellen: in Barolo zagen we flessen wijn van vijfhonderd euro en meer. Nee, we kochten er geen. Ons vakantiebudget liet zulke uitspattingen niet toe.
