Vreemd hoe je zelfs op reis, zelfs in – voor mij althans – het mooiste land van Europa, al snel in een routine hervalt.
’s Morgens slofte ik (slippers kunnen soms zo ongemakkelijk zijn) naar de bakker. Na twee dagen bestelde ik in verstaanbaar Italiaans pistolets, een melkbroodje en dessertkoekjes.
Daarna, bij het ontbijt, bogen Jan en ik ons over de Michelinkaart van Noord-Italië, regio Veneto. Waar zou de dag ons brengen? Niet dat we veel in te brengen hadden: code rood. De Italiaanse lucht zinderde, de straten en pleinen kreunden onder de hitte. Terrassen zonder een strookje schaduw bleven leeg.
We besloten naar de lagune te rijden. Daar zou het iets frisser zijn. Niet naar Venetië, waar we alleen maar zouden smelten in de toeristenstroom. Nee, naar Chioggia, een authentieke vissersstad op een kleine vijftig kilometer van Venetië.
Ik waande me even in een film van Sofia Loren. Chioggia ademde Italië. Vespa’s en elektrische fietsen eisten de straten op, Groepjes mannen in hemdsmouwen, een peuk in de mond, gesticuleerden alsof hun leven ervan afhing. In de kleine steegjes wapperde de was tussen de huizen.
Rond de middag namen we de boot om de lagune te verkennen. Met Filou in de hand stapten we aan boord. We wilden boven zitten. ‘Oh nee,’ zei de gids, ‘jullie moeten op het voordek. Daar is schaduw voor de hond.’
Midden in de lagune, niet ver van de mosselboerderijen, stond een Mariabeeld. ‘Madonna della laguna,’ zei de gids. Hij voegde er een uitleg aan toe die verloren ging in de zeebries. Enkel het woord ‘Stella Maris,’ bleef me bij.
En daar, op het voordek van een rondvaartboot, met mijn haren in de wind en Filou stevig vast, schoot het me te binnen: ik zou het havenhuis Stella Maris in Gent gaan bezoeken met Ingrid. We waren er nog niet geraakt. Maar we komen er wel. De zomer is nog lang genoeg.
