Hoogzomer. De zon schroeide de aarde dicht als een stuk vlees op de barbecue. Gras werd stro, bomen verloren hun bladeren alsof het herfst werd.
Filou en ik hadden de gewoonte om, voor de hitte toesloeg, een wandeling in de wijk te maken. Zo ook die ene donderdagmorgen, iets na half negen.
Al vlug kwamen we de baasjes tegen die we iedere ochtend zagen. Een goedemorgen, een hallo.
‘Hoe gaat het met Filou vandaag?’
‘Goed hoor. Is het pootje van Babette genezen?’
‘Het geneest langzaam, maar het komt goed. Tot morgen.’
‘Tot morgen.’
Ik geef grif toe dat ik tijdens mijn loopbaan conversaties van een hoger niveau voerde. En toch … die vriendelijke woorden, die gemeende interesse, maakten mijn dag goed.
Maar die donderdag zakte mijn humeur tot onder het vriespunt.
Ik draaide de hoek om naar de speelweide en stond als aan de grond genageld. Op het voetpad lag overal afval. Plastic flessen, blik, papier. Mijn ‘hallo’ werd een ‘ja, hallo zeg!’.
Zwerfvuil. Het vraagt karakter.
Want geef toe, je moet al heel veel lef hebben om een vuilniszak niet op de correcte wijze te vullen. Om, tegen beter weten in, een zak van de verkeerde kleur te gebruiken, hem niet stevig af te sluiten en hem vervolgens – liefst onopvallend – onder een haag te dumpen.
Het vraagt ook heel veel lef om, voor je in je wagen stapt, de lege melkfles te negeren. Diezelfde fles die je de avond voordien in die sjofele zak stopte. Je ziet hem liggen. Je loopt er met een grote boog omheen. En je rijdt weg. Hallo?!
De echte held van het verhaal is de vuilnisman, die enkele uren later de flessen, blikken en dozen geduldig en zonder morren opkuist.
Om morgen te herbeginnen. Want zopas zag ik, onder een struik aan het klooster van de Arme Klaren hier wat verderop, een gedumpte frigo liggen.
