Donderdagavond, tijdens onze maandelijkse schrijfclub. Een collega-schrijfster had een scène geschreven over mensen op de tram. Toen kwam het voorstel: waarom maak je het niet beeldender? Gebruik bijvoorbeeld het woord rollator, dan ziet de lezer meteen wie je bedoelt. Onmiddellijk viel de vraag: geraken mensen met een rollator op de tram?
Die vraag deed me denken aan mijn schoonvader, die twee jaar geleden op 95-jarige leeftijd overleed. Op het laatst nam hij nog zelden de bus. De opstap was te hoog en regelmatig versperden boekentassen en shoppers de uitgang.
Ook geld afhalen werd een probleem. Hij begreep geen snars van het toestel aan de muur. Foeterend en vloekend verliet hij regelmatig het bankkantoor.
Maar mijn schoonvader was niet de enige die verdwaalde in de wereld waarin we leven. Ook ik loop soms gefrustreerd rond. Neem nu vorige week in de supermarkt.
Ik vulde mijn winkelkar gretig met de weekpromoties. Aan de kassa kreeg ik een koude douche: ik had mijn smartphone met de app niet bij me. De kortingen gingen aan mijn neus voorbij. De rest van de dag liep ik, net als mijn schoonvader, te zeuren over die rompslomp.
Niet toegankelijk. Digitaal, maar ook fysiek. Nu mijn vader in een rolstoel zit, valt het me pas op hoe vaak hij gewoonweg niet binnen kan. Een tearoom met een te smalle deur, een winkel met een trapje, een gebouw zonder lift.
Gelukkig zijn er ook mensen die de drempels helpen weg te nemen. Zoals de bankbediende die achter zijn bureau vandaan kwam om mijn schoonvader te helpen met het toestel aan de muur. Of die ober die prompt tafels aan de kant schoof, zodat mijn vader comfortabel naast ons kon zitten. En dan zijn er de vrijwilligers die iedereen in het ziekenhuis met een vriendelijk woord bijstaan. Geen diepe zucht, geen gefronst voorhoofd, gewoon even helpen.
Misschien is dat wat toegankelijkheid betekent: tijd maken voor een ander en er samen voor zorgen dat niemand buiten de boot valt. Een mooie gedachte, toch?
