Ik kan het niet laten. Telkens als ik met Filou, onze éénjarige teckel, een blokje om wandel, denk ik aan dat liedje van vroeger:
Samen een straatje om, zoals gewoonlijk elke avond
Even een straatje om voor ik m’n ogen sluit
Samen een straatje om, het laatste uurtje van vanavond
En ik vraag me af, terwijl ik naar ‘m fluit: wie laat wie nu uit?
Hij laat mij uit, al twaalf maanden lang. Ik wil links, hij rechts. Ik wil rechtdoor, hij slaat de hoek om. Ik heb haast, hij neemt alle tijd om te snuffelen. Behalve als ik zijn wandeling eindeloos heb uitgesteld. Dan maakt links of rechts hem niet uit en laat hij het snuffelen voor wat het is. Dan is híj gehaast.
Uitstellen. Iedereen kent het wel. Die chaotische garage, die overvolle zolder, die rommelige schuif in de keukenkast. De ogen sluiten en uitstellen. Tot ooit.
Ik was er goed in. Op kantoor, waar ik de minder leuke taken voor me uitschoof. In de schrijfclub, waar ik eindeloos bleef herbekijken en opnieuw beginnen. En thuis, waar ik jarenlang de paperassen op mijn eigenzinnige manier bewaarde in een … wasmand. Tot grote frustratie van mijn kinderen. Gelukkig leven we nu in een digitaal tijdperk en ben ik – al zeg ik het zelf – een crack in het ordenen van mijn computerbestanden.
En toch heeft de tijd me geleerd dat er dingen zijn die we beter niet uitstellen.
Zeggen dat je iemand graag ziet. Laten weten dat iemand belangrijk voor je is. Vertellen dat je blij bent dat je ergens thuishoort. Dat zijn woorden die we wellicht te weinig uitspreken. We denken dat onze partner, onze kinderen, onze familie en onze vrienden het wel weten. Maar is dat zo?
